
Wet verhoging accijns sigaretten en kerftabak
Artikel 3
1
Bij ministeriële regeling worden telkens met ingang van de in de artikelen 1 en 2 genoemde tijdstippen de tarieven van de accijns bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel C, onder 1°, onderscheidenlijk onderdeel D, van de Wet op de accijns van tabaksfabrikaten (Stb. 1964, 208) dan wel, indien de Wet op de accijns (Stb. 1991, 561) in werking is getreden, de tarieven van de accijns bedoeld in artikel 35, eerste lid, onderdeel c, onderscheidenlijk onderdeel b, van de Wet op de accijns aangepast. De aanpassing geschiedt zodanig, dat voor rooktabak en sigaretten van de meest gevraagde prijsklasse het specifieke gedeelte van de accijns 50 percent bedraagt van de som van de totale accijns en de omzetbelasting. Daarbij dient het bedrag van de totale accijns gelijk te blijven aan het bedrag van de totale accijns dat na de verhoging van de accijns verschuldigd zou zijn zonder de aanpassing. Bij de aanpassing vindt afronding plaats van het specifieke gedeelte van de accijns op een veelvoud van vijf centen en van het procentuele gedeelte van de accijns op honderdsten van een percent.
2
Indien het bij koninklijke boodschap van 28 september 1992 ingediende voorstel van Wet op de verbruiksbelastingen van alcoholvrije dranken en van enkele andere produkten tot wet wordt verheven, worden de in artikel 13 van die wet vermelde tarieven aangepast overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 en in het eerste lid.
Jurisprudentie bij dit artikel
- Hieronder wordt een selectie van de bijbehorende jurisprudentie getoond.
- Geen resultaten gevonden voor de door u opgegeven zoek termen.